Risico’s van ooglaseren

Dankzij de hypermoderne techniek van tegenwoordig en het testen van de apparatuur voorafgaand aan elke ooglaseroperatie zijn de risico’s van refractiechirurgie zeer sterk afgenomen. Complicaties komen dan ook nauwelijks nog voor (<0,1 procent). Een laser werkt bovendien supersnel, waardoor het hoornvlies slechts enkele minuten blootligt. Dankzij de huidige technieken werkt de laser altijd op exact de juiste plek van het oog. Het oog wordt tijdens de operatie namelijk door middel van AET (Active Eye Tracking) door meerdere camera’s gevolgd. Wanneer het oog slechts een fractie van een graad draait, dan wordt de laser automatisch bijgestuurd.

Enkele risico’s van ooglaseren zijn:

Infectie

Bij elke operatieve ingreep bestaat de kans op infectie, dus ook bij ooglaseren. De kans op infectie ten gevolge van ooglaseren is 1 op 3000. Het inbrengen van antibiotische druppels na de laserbehandeling beschermt de ogen veelal tegen infecties. De ernst van een infectie hangt af van de soort ziekteverwekker en hoe snel en adequaat de infectie wordt bestreden.

Ondercorrectie / Overcorrectie

Wanneer de refractieafwijking te ver wordt gecorrigeerd ziet de patiënt te scherp. Wanneer de refractieafwijking niet ver genoeg wordt gecorrigeerd ziet de patiënt niet scherp genoeg. Een vervolgbehandeling is nodig om deze indicaties te herstellen. Bij mensen met hogere sterktes is de kans op ondercorrectie of overcorrectie relatief groter.

Onregelmatige refractie

Wanneer de ooglaserbehandeling niet precies in het centrum van het hoornvlies wordt uitgevoerd, kan er een hinderlijke onregelmatige refractie van het licht in het hoornvlies optreden. Deze complicatie komt dankzij AET (Active Eye Tracking) nauwelijks nog voor.

Hoornvliesbeschadiging

Wanneer het voorste deel van het hoornvlies blijvend wordt beschadigd tijdens het ooglaseren, kan transplantatie met donorweefsel nodig zijn.

Netvliesloslating (Ablatio Retinae)

Bij het laseren van de ogen kunnen scheurtjes of gaatjes in het netvlies ontstaan door toedoen van veranderingen in het glasvocht. Door een gaatje kan vloeistof lekken tussen het netvlies en de diepere lagen van het oog. Dit noemt men een netvliesloslating. Om dit te corrigeren is een aanvullende behandeling nodig.

Flapcomplicaties

Bij het maken van het epitheelflapje voor de verscheidene LASIK behandelingen gaat nog weleens iets mis: een gaatje in het flapje, een verschuivend flapje, een onvolledig flapje, een onregelmatig flapje, een te dun flapje, een flapje dat niet meer vast zit aan het hoornvlies, flapplooien (striae) enzovoort. Al deze complicaties komen slechts zelden voor en zijn doorgaans goed te behandelen. Wel is er meestal een vervolgbehandeling nodig om eventuele sterkte-afwijkingen of groeiafwijkingen ten gevolge van de flapcomplicatie te verhelpen.

Haze (Littekenvorming op het hoornvlies)

Bij PRK behandelingen treedt vaak littekenvorming op het hoornvlies op.
De meeste patiënten ondervinden hier geen last van want zulke littekens zijn doorgaans minuscuul klein. In zeldzame gevallen is de littekenvorming dusdanig groot dat het gezichtsvermogen erdoor afneemt. In het uiterste geval is een hoornvliestransplantatie nodig om haze te verhelpen.

Zichtschade / Blindheid

Ten gevolge van complicaties als infectie, hoornvliesbeschadiging, bloedingen, netvliesloslating, blokkade van bloedtoevoer, uitpuiling van het hoornvlies (cornea ectasie) enzovoort, kan zichtschade optreden. In het ergste geval kan de patiënt zelfs blind worden.

Vervolgbehandeling

Afhankelijk van de behandelingsmethode is er een kans van ongeveer 5 procent dat een aanvullende behandeling nodig is voor een optimaal resultaat. Deze vervolgbehandeling kan doorgaans pas 3 tot 6 maanden na de operatie plaatsvinden.

Enkele mogelijke neveneffecten van ooglaseren zijn:

Glare / Schittering

Bij schemer wordt de pupil groter. Voornamelijk bij patiënten die van nature al grote pupillen hebben, treden daardoor na het ooglaseren verstrooiingsverschijnselen op het hoornvlies op. Deze verschijnselen berusten op reflecties van de rand van het gelaserde gebied van het hoornvlies. Glare uit zich veelal in het zien van schitteringen of stralen bij het aanschouwen van lichtbronnen.

Halovorming / Strooilicht

Halo’s ontstaan door lichtinval buiten het gelaserde gebied van het hoornvlies wanneer de pupil groter wordt door duisternis. Bij halovorming ziet de patiënt lichtkringen en -strepen rondom lichtbronnen.

Lichtgevoeligheid

De eerste weken na de ooglaserbehandeling zullen de ogen van de patiënt zeer gevoelig zijn voor licht.

Nachtblindheid

De eerste weken na de ooglaserbehandeling zal de patiënt moeilijk kunnen zien in het donker.

Droge ogen / Zanderige ogen

Na het laseren van de ogen kunnen symptomen van droge en/of zanderige ogen optreden; voornamelijk tijdens de eerste 2 weken omdat het hoornvlies gedurende die tijd geneest. Voornamelijk LASIK behandelingen staan bekend om het verergeren van slecht traanvocht en droge ogen. Heel soms zijn deze neveneffecten van semipermanente of permanente aard.